DE VAF WILDCARDS 2007
Naast de Vlaamse Kortfilmcompetitie die het IKL zelf al ruim een decennium lang organiseert, worden dit jaar op het festival voor het eerst ook de Wildcards van het Vlaams Audiovisueel Fonds uitgereikt. In totaal worden 5 beurzen toegekend aan nieuw, pas afgestudeerd filmtalent: 2 beurzen van 60.000 euro voor fictieprojecten en 3 beurzen van ieder 40.000 euro voor documentaire filmprojecten. Daarmee zijn de Wildcards de grootste prijzen die uitgereikt worden op een filmfestival in ons land. Pierre Drouot, grote baas van het VAF, geeft tekst en uitleg bij het concept.

Overzicht "redactioneel"

 

Hoe zijn de Wild Cards er eigenlijk gekomen?
Het idee kwam oorspronkelijk van Karla Puttemans, momenteel hoofd creatie bij het VAF en toen adjunct van de directie, van Luckas Vander Taelen dus. Ik werkte toen al op het VAF, als coach. We zochten naar een manier om de pas afgestudeerde studenten beter op te volgen, te helpen, te begeleiden. Daarom hebben we een reeks vergaderingen belegd met de verantwoordelijken van de scholen. Dat wij hen samen rond de tafel kregen, vonden zij op zich al een hele verwezenlijking. Maar het eigenlijke doel, een samenwerkingssysteem uitdokteren, dat is mislukt. We wilden bijvoorbeeld materiaal van de scholen ter beschikking stellen van de afgestudeerden. Dat bleek ontzettend moeilijk. Toen kwam Karla met het idee van de Wildcards, naar analogie met het tennis: geef voorrang omwille van uitzonderlijke kwaliteiten.
Het beschikbare budget was 240.000 euro. 120.000 euro voor fictie en 120.000 euro voor documentaire. We reikten eerst voor elke categorie twee Wildcards uit, want de documentairemakers stonden erop dat de documentaire projecten evenveel zou krijgen als de fictieprojecten. Een heel principieel standpunt, want meestal, gemiddeld, kost een documentaire minder geld. Bij de evaluaties nadien stelde het Documentair Platform zelf vast dat die houding te rigide was. Daarom hebben we in het tweede jaar drie documentaires bekroond, telkens met veertig duizend euro.
Hoe gaat de keuze van de winnaars precies in zijn werk?
Het principe is simpel. We stellen een jury samen en bekijken alle eindwerken die gemaakt zijn. De jury delibereert en we kiezen de winnaars. We steunen jonge filmmakers dus op basis van hun voorbije merites, niet op basis van beloftes uit een dossier. De steun bestaat dus uit de geldprijs én individuele begeleiding door een coach.
Wie kiest die coach?
Niet het VAF. We laten de keuze aan de winnaar. Wij geven soms wel wat raad en brengen mensen met elkaar in contact, maar dat is niet onze officiële taak. We vertrekken altijd van de wens van de winnaar. Als je wilt kan je ook meerdere coaches krijgen. Ook van coach wisselen kan.
Als de coach is gekozen en het Wild Card project is opgestart, wat is dan nog de rol van het VAF? Volgen jullie het project van start tot finish op?
Neen. Het VAF is geen productieorgaan en wij gaan dus ook niet zelf op zoek naar extra middelen. Maar de winnaar van een Wildcard is daar vrij in. Hij doet zijn ding. De enige verplichting is het afleveren van tien minuten fictie. Punt. Wil je een halfuur maken, of een langspeler? Geen probleem.

 

Wat is het verschil met het systeem van de ateliers zoals dat in Wallonië bestaat?
Ik ken het Franstalige systeem zeer goed, want ik gaf negen jaar les aan het INSAS. In Wallonië heb je ateliers die aan de scholen verbonden zijn. Die ateliers beschikken over een apart budget. Maar zij zijn actief in de context van de scholen, van de productie van de laatstejaarswerken. De ateliers selecteren een aantal eindwerken waarvoor ze dan een extra ondersteuning geven. En de anderen krijgen dan een gewone schoolbehandeling. Maar de Waalse ateliers maken dus keuzes op basis van kwaliteit, en ze werken met een soort commissiesysteem. Nu, de Waalse ateliers blijven helemaal binnen het schoolse kader, voor de Wildcards ligt dat helemaal anders. Wij zijn off-school. Een ander groot verschil met Vlaanderen is dat de eindwerken in Wallonië er ook echt helemaal worden gemaakt door studenten, terwijl hier meestal vaak professionals worden aangetrokken. In de praktijk is bij de opnames van een Vlaamse kortfilm de regisseur vaak de enige student, samen met de jongen die ‘s morgens de boterhammen smeert of de kabels trekt. De rest van de ploeg zijn professionelen. Gevolg is dat die films ongelofelijk veel geld kosten. Vaak komt dat geld van de ouders. De ene krijgt twintigduizend euro van zijn rijke nonkel of tante, maar anderen staan er financieel misschien minder goed voor. Dat is een probleem binnen het Vlaamse systeem: de omgeving is niet echt democratisch. Maar let op, een regisseur moet natuurlijk ook fondsen kunnen aantrekken, mensen kunnen overtuigen om in zijn film te investeren. Ook dat zijn kwaliteiten die een regisseur moet ontwikkelen. Er wordt geregeld gepleit voor een Vlaamse atelierwerking. Maar dan moeten die ateliers wel ergens geld vinden. Niet bij het VAF, want dat ligt buiten onze opdracht.
Welke talenten moet een jonge regisseur hebben om het te maken?
We dromen allemaal van erkenning in binnen- en buitenland, maar grote talenten zijn zeldzaam. Daarvoor moet je heel persoonlijk te werk gaan, je moet kunnen communiceren met een groot publiek. Natuurlijk moet je cinematografisch talent hebben, maar ook heel veel wilskracht en doorzettingsvermogen. Je mag niet te teergevoelig zijn. Je moet beseffen dat je zult afzien, rejection kunnen incasseren. Film is een erg moeilijk vak. (JS)